‘maar een spelletje’

‘maar een spelletje’

Van die dingen die ik beweer: ‘Is helemaal niet erg’ -als iemand vijf minuten voor de afspraak afzegt. ‘Geen probleem mee’ -over ouder worden. ‘Ik begrijp het helemaal’ -terwijl ik echt niet snapt waarom de uitgeverij mijn manuscript weigert. ’Mis ik niks aan’ -over de beste vriendin, die een afslag uit mijn leven nam. ‘Ik kan best goed tegen mijn verlies,’ -in het algemeen.

Geen van allen waar. Stoerdoenerij om mijn gezicht niet te verliezen, deze leugens. Behalve de laatste. Daarvan dacht ik echt .. nu ja.

In Oostenrijk worden kinderen opgevoed met de vier s-en; Schnitzel-Schnee-SpaB und Spiel. Nog steeds vult Ries zijn vrije tijd graag met kaarten, pionnen of dobbelstenen. En tot de neusgaten weigeren vaak maandenlang hetzelfde spel.

Ik hou niet zo van spelletjes (iets met een broer-dammen en altijd dat bord om, als ik de winnende hand bleek te hebben). Ik hou wel van mijn Oostenrijkse man en zoals dat gaat in huwelijkse staat, doe je wel eens wat voor de ander.

Daar zitten we, aan tafel. Doordeweekse dag, met een wijntje erbij (dat ken dan weer uit mijn jeugd). Richard legt de kaarten omgekeerd op tafel. Ik neem een slok. Burgerlijk prettig. Dat zal de man, die net voorbijloopt en door het raam naar binnen kijkt, ook denken. We spelen Carcasonne. Dat spel bestaat al een tijd, in ons leven is het redelijk nieuw. Waar het op neer komt; het bouwen van wegen en steden en meer. Wat ook kan (voor extra punten): het gebouwde van elkaar afpakken en land veroveren.

Zoals ook in het echte leven, ben ik erg druk met mezelf. Ries doet en praat. Maar wat hij zegt of hoe hij een stad bouwt, dat registreer ik niet echt. ‘Ha! een afsluiter. ‘Met zo’n klooster kan ik helemaal niets, Yes! eindelijk een vijver.’ Dat zijn de zinnen die mijn hoofd vullen, als ik kijk, puzzel en bouw. Rode wangen, krijg ik ervan. En overmoed. Op deze manier steven ik af op de winst, denk ik blij-ig als ik een goeie kaart leg.

En dan zet Ries een pion precies neer, dat al het land van hem is. Hij legt zijn kaart zo, dat ik dreig mijn stad te verliezen. De sensatie die ik mijn buik voel is nieuw. Een vuist die net niet door de wand heen slaat. De ‘in zijn nopjes’ -aura van Ries doet mijn nijd geen goed. De niet te verbergen zelfgenoegzame stuiptrekking rond zijn mondhoeken ook niet. Slaan wil ik die man, of minstens een week niet kussen.

Richard wint soms, ik verlies altijd mijn gezicht. Omdat ik tegenwoordig al begin met dreinen bij alleen nog maar intentie. Echt leuk, zo’n spelletje!

Tot de volgende

x yf

Submit a Comment