Hier zijn Ari en Joep

Hier zijn Ari en Joep

Hier zijn Ari en Joep

Er rijdt een mama door de straat. Op een fiets met een bak ervoor. En in die bak zitten Ari en Joep. Ari en Joep zijn even groot. Ze hebben blonde haren en bruine ogen. Ari heeft drie sproeten op zijn neus. En Joep ook. Dat komt omdat ze tweeling zijn. Er zijn ook verschillen. Want Ari ’s haar is egel-stekel kort. Met gel erin. Het haar van Joep is net spaghetti. Als mama het kamt, huilt Joep altijd.

De bakfiets hobbelt over straat. Ari en Joep hobbelen mee. Mama trapt hard. Haar voeten worden er duizelig van. Mama zingt niet, Ari en Joep zingen wel. ‘Het regent,’ doet Joep. ‘En mamaatje wordt nat,’ doet Ari.

Dat is waar. Mama’s haar is nat en plat. En er glijden druppels in haar nek. Ari en Joepen zitten lekker droog in de bak. Onder een tentje van zeil. Het heeft een rits en het heeft ramen. Daar tikt de regen tegen.

Mama heeft haast. Ze racet over de straat en over de tegels. Ari en Joep schudden ervan. Ze rijdt in een kuil. Die zit opeens in de weg. Bam! Ari botst tegen de rand van de bak. Joep wipt omhoog en omlaag. Hij stoot met zijn arm tegen de neus van Ari. ‘Au!’ zegt Ari. Hij grijpt Joeps haar. Hij trekt. Zo hard, Joeps hoofd schiet bijna los. ‘Au, au!’ brult Joep. Hij schopt naar Ari.

‘Rustig,’ roept mama door het zeil. Ze wil vooruit. Maar dat gaat niet. Met twee jongens, die vechten in de bak. De fiets slingert alle kanten op. Een auto toetert en hond blaft. De jongens horen het niet. Want Ari schreeuwt en Joep brult.

Dan ineens staan ze stil. Tegen de rand van de stoep. Mama springt van de fiets. Ze ritst het zeil open. Er waait regen in de bak.  ‘Hij begon,’ zegt Ari. ‘Hij trok aan mijn ha-haar,’ brult Joep. Mama kijkt naar Ari en mama kijkt naar Joep. En ze kijkt omhoog. Naar de wolken, waar de regen uitvalt. Opeens tilt ze Ari op. Met een zwaai zet ze hem naast de bak van de fiets. En Joep pakt ze ook. Daar staan ze dan samen. Ari en Joep op de stoep.

En wat doet mama? Mama klimt zelf in de bak!  ‘Zo,’ zegt ze. ‘Zit ik even fijn.’ Ze ritst het zeil dicht. Ari’s mond zakt open. Net als de mond van Joep. Even maar. Dan pakt Ari het stuur. En Joep gaat achter de bagagedrager staan. Zo duwen ze samen de fiets over de stoep. Het is zwaar en ze gaan niet snel. Maar ze juichen en ze joelen. Want leuk is het wel.

‘Het regent,’ zingt mama in de bak. ‘Ari en Joepie worden nat.’ Dan leunt ze tevreden achterover en lacht zonnestralen op haar gezicht.

Submit a Comment