Naar thuis

Naar thuis

Het is twee uur -’s nachts. Ik word wakker van de regen, die tegen het schuine dak slaat. Het waait ook flink. Ik lig, alleen, in een halve bedstede op de logeerkamer van mijn ouders. Ik sla het gordijn opzij. De slinger gekleurde lichten, die als een sjaal om de de vlaggenmast van de zeilclub hangt, speelt met het donkere water van de plas. Ik hou ervan. Van de regen, wind en van de Reeuwijkse plassen zo in de nacht.  En toch, mis ik thuis.

Mijn voeten tegen de benen van Richard. Ons bed. De goedkope Hema-wekker op mijn nachtkastje. Dat ik de kleur van het donker ken. Het weten dat in de andere  slaapkamers op dezelfde verdieping zoon en dochter liggen te slapen. Die vulling maakt, meer nog dan de stenen en het dak, van het huis waarin we wonen mijn thuis.

Vreemd hoe het gaat. Als kind kon ik me niet voorstellen, dat ik ooit ergens anders beter zou slapen dan onder het dak van mijn ouders. Het liefst in hun bed. Bijna elke nacht schoof ik als een voorzichtig spook tussen ze in.

Het is de derde nacht, bij mijn ouders, dat wind en regen me wekt. Dat het thuis willen zijn mijn huid aait. Het is de vierde avond, als we na het eten een kaartje leggen. En zoals altijd, sinds hij ziek is op de een of andere manier nog meer, zie ik alles wat mijn vader doet (en wat hij niet doet). Als ik aanmerk dat hij niet met volle mond moet praten, reageert hij licht geïrriteerd. Als ik uitroep dat ie zelf ook wel eens wat kan doen, wordt hij bijkans een beetje boos. ’Hoe laat ga jij morgen eigenlijk weg?’ vraagt hij dan. Uit zijn vraag spreekt het verlangen, van hoe vroeger hoe beter. En daar moet ik om lachen. Ik mag dan een beetje heimwee hebben. Mijn vader is me zat.*

 

Tot de volgende

x Yf

 

*En gelijk heeft hij. Als mijn dochter (zijn het altijd de dochters?) klaagt omdat ik ademhaal, zet ik haar ook het liefste op de trein naar Enkhuizen of Appelscha.

 

 

 

Submit a Comment