Rouwdementie

Rouwdementie

Het was mijn nichtje, die iets zei over geld. Geld dat ik, schijnbaar, in zijn laatste houten huisje legde, voordat we dat dichtschroefden. Tien of twintig euro, ze wist niet meer hoeveel. Ik wist het ook niet. Papa ging nooit graag ergens heen zonder geld. En dat ik hem wat mee heb gegeven op weg naar de eeuwigheid, is een logisch gebaar. Maar de handeling zit niet in beeld in mijn gedachten. Het terug oproepen, lukt niet.     Ik dacht dat het best goed ging. Soms op het rare af. Ik maak ontbijtjes en doe boodschappen. Werk vrolijk aan mijn kleuterbundel. Ga naar de film en uit eten. En heb mezelf nog geen dag onder mijn dekbed verstopt.        Maar dat er iets met mijn geheugen is, dat blijkt. Want geld in de kist doen, is niet de enige herinnering die mist. Afgelopen zomer schijnen Richard en ik in Oostenrijk de as, van een hondje wat was, te hebben uitgestrooid. Ik weet het echt niet meer.    Daarbij, ik kan ze voelen de gaten, kraters, in mijn brein. Toen papa stierf zijn er een aantal dingen van mijn harde schijf gedonderd. De put waarin, lijkt bodemloos. Alleen als het ter sprake komt, weet ik welke. Niet dat ik me het dan herinner. Maar gewoon omdat iemand het me vertelt.   Ik heb natuurlijk allang gegoogeld op; vroege dementie-jonge alzheimer-korsakoff (Sauvignon en ik proosten nog iedere dag op het leven en de vredige dood). Maar ik denk niet dat ik één van die vreselijke ziektes heb. Het is breinbescherming. Eind augustus heeft het kaboutervrouwtje in mijn hoofd de knop systeem...
Voor Cok

Voor Cok

Want papa, ik lijk heel veel op jou En wat ben ik daar blij mee Want echt weg, zul je voor mij nooit zijn In zoveel wat ik doe en zeg en adem Blijf jij bij mij Ik heb je lief     Zo eindigde ik vorige week mijn toespraak. Gericht aan mijn liefste vadertje, die nu dus ergens in een andere dimensie zweeft. Zo stel ik het me, denk ik, voor: Cok met een pet op zijn hoofd zittend ergens op een bankje aan de plas. Binnen handbereik een sigaretje en een glaasje witte wijn. En dan af en toe wat mensen (en de hondjes)  naast hem op dat bankje. Zijn eigen moeder, Rem, Tineke, Willem. Allemaal van die leuke, net als hij en heel onverbiddelijk niet meer bij ons. Want daar stonden we dan. In zo’n ruimte waar elke dag wel drie keer hetzelfde stuk wordt opgevoerd. Maar dan steeds met een andere familie. Gelukkig hebben wij Floor. Die zorgde maar mooi voor een paars-roze gloed over ons inwisselbare zaaltje. De kleuren van Cok. Want echt weg, zul je voor mij nooit zijn. Toen ik het schreef, voelde het waar. Maar nu zit ik toch ingeklemd tussen dat echt en weg. Tussen verdriet en melancholie. Opeens ben ik terug in het huis met de bruine rib-bank en het beige tapijt. Jij ligt op die bank, met iets van een depressie. Ik speel met lucifer-poppetjes op de grond. Maar we doen ook boodschappen. Zeven pakjes caballero en een staatslot voor jou. En een nieuwe goudvis voor mij, elke zaterdag weer. We vieren een zomer op het landje in Reeuwijk....
een bipolair glas

een bipolair glas

Ik lijd er niet aan, dat mijn glas half leeg is. Het mijne zit namelijk altijd tot de rand gevuld. Welke kleur het water heeft, dat eroverheen klotst, is afhankelijk van mijn gemoed. Babybeentjes-roze of duivelsgroen, voor elke stemming heb ik een kleur op mijn palet. ‘Wat onwijs leuk dat je manuscript af is en dat wij het mogen lezen! Ik druk nu hier op printen. Je hoort gauw van me!’  antwoordde de uitgever. Gauw is gisteren in mijn optiek. Dat ik na drie weken nog niets heb gehoord staat voor mij gelijk aan een afwijzing. Dit heeft maar een beetje met pessimisme, uit zelfbehoud, te maken. Ik voel het aan de bui, die hangt en aan mijn water. Gauw is minder lang dan het al duurt. Van “je héla hola en de moed” is geen sprake meer. Het zijn inmiddels donkere golven, die over de rand van mijn glas spatten. De nog niet gekregen afwijzing is een zwarte olifant in mijn kamer, die een schaduw over meer dan alleen het schrijven werpt. Alles wat stom is, komt harder binnen dan het andere. De auto achter me, die mijn bumper kust. De kat op mijn schoot, die uit het niets naar me slaat. Beloofde taarten, die niet worden gebakken. Iemand die te laat op een bericht reageert. Een collega-schrijfster, die op meerdere berichten helemaal niet reageert. Het paar sneakers, alleen nog maar verkrijgbaar in maat veertig. In alles zie ik een afwijzing. Ik ben niet snel-zacht-aardig-interessant-groot genoeg. Ik ben niet GOED genoeg. Het is ‘donkermalen’ in de achtste versnelling, wat ik doe. Amai Amai, roept mijn aardigste binnenstem, niet geheel toevallig...
Blijf blij

Blijf blij

Het is 09.44 uur, donderdag acht februari. ‘Blijf blij,’ tik ik in, op mijn toetsenbord. Ik leun achterover en lees de laatste regel van mijn manuscript. De afgelopen twee weken heb ik er onafgebroken aan geschreven en geschrapt, aan gedacht en op de valreep, verhaallijnen aangepast. Met onafgebroken, bedoel ik alleen door slaap gebroken. Het is 09.45 uur, ik stink en ik ben moe. Maar alle spieren in mijn lichaam ontspannen. Mijn hoofdpersonage zit veilig en wel in haar koets terug naar huis. Al maandenlang werkte ik aan een verhaal over verdriet en zakdoeken groot als lakens. Over egel-stekelsoep en leeuwenpoep. Als ik liep te wandelen met de hond broedde ik op de plot en de personages. In de auto onderweg naar de supermarkt verzon ik het decor en de bijfiguren.  Zo af en toe tikte ik wat zinnen uit en die vormden dan gestaag wat hoofdstukjes. Toen kreeg ik een mailtje van de uitgever, waar mijn eersteling het licht zag.  Of ze dat debuut, voor een prikkie aan de Bruna mochten verkopen. Graag, schreef ik terug. Beter veel voor weinig, dan niets voor veel. Dat boek is namelijk niet meer leverbaar.  Of ze nog interesse hadden in een vervolg, wilde ik weten. Dat die opvolger bijna af was, loog ik erbij. Ik mocht altijd wat opsturen. Uiterlijk maart, als ik een kansje wilde maken om in de najaarsbrochure te komen. Daarvan kreeg ik het op mijn heupen en zette ik mijn arbeid een versnelling hoger. Ik ging eens naar mijn ouders om daar op de logeerkamer zonder afleiding te schrijven. (En om me te laten verwennen met hachee en tomatensoep)....
‘Door de maag’

‘Door de maag’

“Unfaßbar” Het is Uli Mutti (moeder van een vriend van Ries), die het onbegrijpelijk vindt dat ik me de; “art of making Knödels”, nog niet eigen heb gemaakt.  Ook de liefde (juist de liefde) van een Oostenrijkse man gaat door de maag. Het is daarom dat ze hem, als we in Wenen zijn, altijd een bord Semml-Knödels met linzen voorzet.  Ik mag een broodje kaas. Dat ik geen deegballen eet, vindt ze tot daaraan toe. Dat ik ze thuis niet maak voor Ries; ‘das geht doch nicht’. Ik vond het nooit zo nodig, om middels kookkunsten mijn houden van te tonen (ook niet via bloemschikken-het huishouden doen of knopen aanzetten, trouwens). Ik ben  van de omgekeerde Feyenoord-theorie; wel woorden, geen daden. Ik zend mijn liefde graag via energieke luchtbanen of anders een romantische woordenstroom. Liever lui dan bezig, dat leek me lange tijd wel voldoende. Tegenwoordig ligt achter mij een berg met klimmende jaren. Gestapeld uit kazen, die moesten worden gegeten. Ondergedompeld in wijnen, die moesten worden gedronken. Met een topping van chocolade, omdat ene tony chocolonely zo nodig een reep op de markt moest brengen. Wie bedacht heeft om zeezout en karamel samen te laten smelten: op de brandstapel ermee. Al was het maar uit naam van mijn zwembandje van roze vlees. Of van die  boezem, waarmee ik een volledige kleuterklas kan troosten. Dan is er nog iets. Steeds vaker valt het me op. Het lijkt een trend. Overal om me heen, van die dames jonger, strakker en, waarschijnlijk, veel slimmer, dan ik. Ik denk wel eens, straks heeft Ries dat ook door. Om een beetje verwarring te zaaien...