Rode vlekjes op mijn voeten

Ik pomp lucht in het éénpersoons-luchtbed op zijn kamer. Het ligt er wat zielig bij op de kale vloer. Verder staan hier alleen nog maar een wasmand (vol) en een prullenbak (voller). Heeft hij gelukkig toch wat spullen laten staan.

Luuk is verhuisd. Met twee vrienden naar een huis aan de andere kant van het geluk. Ze hebben er nog lang naar moeten zoeken. Huizen in Maastricht zijn geen vlaaien. De etalages staan er niet echt mee vol. Het was een frustrerend lesje in zoeken, hopen en wachten. En wij maar mee duimen. Dat het lukken zou, die huizenjacht. Want schreef ik in mijn vorige blog niet dapper, dat hij hier thuis wel afgebakken was. Dat ie op eigen benen vast nog veel leuker verder zou groeien.

Tja.. .

Ik schreef maar wat.

Eczeem. Een paar weken nadat Cok stierf, begon het. Rode vlekjes op mijn voeten. Ontwikkelde ik misschien een allergie voor kaas of kiwi. Witte wijn misschien? De huisarts schreef een crème voor. Die hielp niet. De sapkuur op het Belgisch platteland ook niet. Ik probeerde verder bietensap, geen wijn, wel wijn en anti eczeem-meditatie. De rode plekken bleven.

Eigenlijk wist ik diep van binnen wel waar het vandaan kwam. Ik had het al eens eerder gehad. Toen een ander iemand plots uit mijn leven verdween. Rouw sierde mijn voeten.

En aan rouw doet alleen de lieve tijd iets.

Een maand geleden klaarde het op. Al had ik de tijd wel een handje geholpen. Mezelf af en toe aan het huilen gemaakt. Daarvoor hoefde ik alleen maar te luisteren naar Leaving on a Jet Plane. Nooit gedacht dat John Denver mijn voeten nog eens terug roze zou zingen.

Toen vond Luuk dat huis.

En overnacht, pats boem, zijn de rode vlekken op mijn voeten terug.

Ik ga niet smeren of sap-vasten. En mijn tranen zoek ik al helemaal niet op. Want Luuk is dan wel het huis uit. Hij leeft gewoon zijn leuke leven. Vol vrienden, studie, baantjes en met ook nog eens een heel leuk meisje in zijn buurt. Wat anders dan over zijn schouder meegenieten, kan ik daarmee doen? Niks toch. En dat snappen mijn voeten binnenkort heus wel.

Bovendien, van een vol leven wordt iedereen wel een keer hongerig of moe. Dus ik pomp het luchtbed helemaal vol.

 

Tot de volgende

X Yf

 

*Tekst foto: uit het lied ‘Kom terug’ van Spinvis

Wat je niet weet

Wat je niet weet,

Dat jouw dappere Mieke tegenwoordig bij ons in het zuiden woont. In een appartement, waar de muren zachte armen zijn. Het is er warm en ik voel me er ook thuis. Want jij zit in de meubels, de glazen en kaarsjes. Daar wel. Op Reeuwijk ben je niet meer. Ik liep er laatst rond in jullie lege huis en zocht naar niks. Dat was ook precies wat ik vond.

Dat je in een doos op de vensterbank woont. Jouw as-bestemming stond al jaren vast. Verstrooien zouden we je, in de plas. De boot was al gehuurd. De datum geprikt (Tweede paasdag, altijd de eerste duik van het seizoen). Maar we hebben het niet gedaan. Dat voelt niet als verraad of dat we je laatste wens niet respecteren. Mama wil je houden en daar gaat het om.

Wat je niet weet,

Dat je leuke kleinzoon op zoek is naar een eigen woning. Wij zoeken enthousiast mee en zijn maar een beetje beledigd (want wie wil zulke leuke ouders verlaten en waarom heb ik dat zelf ooit gedaan?). Maar hier thuis is hij afgebakken, klaar. Daar hoeven wij niks meer aan te doen. Op eigen benen groeit ie, zonder twijfel, nog veel leuker verder.

Hoe goed je kleindochter in haar vel zit. Van windkracht tien naar drie, zo voelt het. De storm (of puberteit) die ons deed omwaaien en het kind meenam, is gaan liggen. Het is een feestbeest en ze zit soms erg dicht op al mijn onvolmaaktheden, maar wat is ze grappig. Van die storm in dat glas water, daar lijkt het steeds meer op.

Richard heeft een groentetuin hier op de berg.

Ik een heel goede illustratrice, voor bij mijn tweede kinderboek.

En in de tuin bloeien jouw violen.

 

Wat je ook niet weet,

Dat ik, heel laf, soms expres niet aan je denk. Want als ik dat wel doe, ben je zo ver weg. Daar word ik onoplosbaar verdrietig van.

En met zulk verdriet moet ik oppassen. Want ik voel het weer. Ergens boven mijn hoofd, staat iemand met die dikke wollen deken. Geen gezellige geruite of licht van kleur. Het is een donkere en als ie eenmaal op me ligt, vermoed ik dat het langer gaat duren dit keer.

Want die deken papa, hangt niet alleen boven mij. Het gaat dit keer over de hele wereld, echt waar, de hele. Er is een virus, zo besmettelijk, en er is geen medicijn. Vliegtuigen staan aan de grond en grenzen zijn gesloten. In Oostenrijk mag je alleen de supermarkt in met een mondkapje op. Net als in België en Duitsland. Omhelzen is verboden en handen schudden ook. Elke dag tellen we de doden op het journaal. En die sterven alleen.

Dat je dit niet weet.

Gelukkig

 

Yf

promotiepraat in blogkledij

Op de één of andere manier krijg ik het niet in mijn systeem. Elke week een stukje schrijven. Soms zijn mijn gedachten te groot (waartoe zijn wij op aarde). Dan weer te klein (‘Dag mier op mijn gazonnetje, waar denk je aan?’).

En wat me nog afleid: Lucas heeft altijd honger. De hond moet een frisse neus. Lotte vraagt of ik mee winkelen ga (het antwoord is altijd ja). En Richard wil ook wel eens wat. Dan zijn er nog de terrasje die lonken, boeken die willen worden gelezen. Huishouden en vrijwilligerswerk. Vrienden en familie, waarmee het altijd fijn afspreken is.

Als ik al achter mijn computer ga zitten, duik ik liever meteen de kinderverhalen in. Of pers ik tenenkrommende slechte poëzie uit mijn linker pink. Maar om de zoveel tijd roept dus dat blog. ‘Schrijf me nou weer eens een keer.’

En vandaag heb ik wat.Promotiepraat in blogkledij.

Al achtenveertig jaar lang mutsefluts* ik op aarde rond. Hatsteflats* ik wat mee op het ritme van de dagen. Waarbij het leven me heus weleens in mijn zij port, als aansporing voor grote veranderingen. En ja, dan waag ik me heus wel eens aan grote voornemens. Meer schrijven en joggen. Geen wijn, wel thee. Spiritueel bloeien, niet groeien in omvang. Iets praktisch studeren of een echte baan zoeken. Voornemens die bij mij dan meestal doven bij de eerste hindernis. Die interessante alles verlichtende spirituele yoga retraite in Zuid Portugal blijkt toch wat duur uit te vallen. Er is geen thee in huis. Of Richard heeft al mijn schoenen (ook de sport) opgeruimd.

Toch ziet mijn leven er echt wel anders uit dan twintig (tien, vijf, of één) jaar geleden. Niet vanwege grote omslagpunten, maar meer de sijpelende vlinderslag.

Er is op dit moment zo’n slag gaande. Er is een vader weg en een moeder dichterbij dan ooit. Lucas is klaar om het nest uit te vliegen. Richard heeft een groentetuin. Terrasje, winkelen, afspreken zijn geen optie. Want er waart dat virus rond. Waardoor zelfs de hond wegrent als ie zijn riem (alweer) ziet.

En ik had dus al tijd over. Tijd waarin ik sowieso al meer naar binnen trok. Ons huis in, mijn kamertje op. Waar het steeds echter voelt. Dat ik schrijfster ben. Ik heb een bedrijfje en verkoop af en toe wat teksten. En er komt een boek, er komt een boek!

Daar hoort een opgeschoonde website bij. Heel anders ziet hij er niet uit. Steviger in zijn schoenen staat hij wel. En komt daar nu een aap uit de mouw? Is deze blog eigenlijk niet gewoon een verkooppraatje? Ja!

Want ben je (of ken je iemand) op zoek naar een talige stuiterbal? Zoek mij! Kijk maar eens rond op mijn site. Alles qua taal is van mij. De vormgeving is gedaan door http://www.floorfordesign.com/

 

Tot de volgende

 

X Yf

 

* Cok de Vries

Rouwdementie

Het was mijn nichtje, die iets zei over geld. Geld dat ik, schijnbaar, in zijn laatste houten huisje legde, voordat we dat dichtschroefden. Tien of twintig euro, ze wist niet meer hoeveel. Ik wist het ook niet.

Papa ging nooit graag ergens heen zonder geld. En dat ik hem wat mee heb gegeven op weg naar de eeuwigheid, is een logisch gebaar. Maar de handeling zit niet in beeld in mijn gedachten. Het terug oproepen, lukt niet.    

Ik dacht dat het best goed ging. Soms op het rare af. Ik maak ontbijtjes en doe boodschappen. Werk vrolijk aan mijn kleuterbundel. Ga naar de film en uit eten. En heb mezelf nog geen dag onder mijn dekbed verstopt.       

Maar dat er iets met mijn geheugen is, dat blijkt. Want geld in de kist doen, is niet de enige herinnering die mist. Afgelopen zomer schijnen Richard en ik in Oostenrijk de as, van een hondje wat was, te hebben uitgestrooid. Ik weet het echt niet meer.   

Daarbij, ik kan ze voelen de gaten, kraters, in mijn brein. Toen papa stierf zijn er een aantal dingen van mijn harde schijf gedonderd. De put waarin, lijkt bodemloos. Alleen als het ter sprake komt, weet ik welke. Niet dat ik me het dan herinner. Maar gewoon omdat iemand het me vertelt.  

Ik heb natuurlijk allang gegoogeld op; vroege dementie-jonge alzheimer-korsakoff (Sauvignon en ik proosten nog iedere dag op het leven en de vredige dood). Maar ik denk niet dat ik één van die vreselijke ziektes heb.

Het is breinbescherming. Eind augustus heeft het kaboutervrouwtje in mijn hoofd de knop systeem down ingedrukt. Om de emotie wat af te vlakken, vermoed ik. Ervoor te zorgen dat het behapbaar blijft. Dat er daarmee wat documenten zijn verdwenen, neem ik maar voor lief.  

Het belangrijkste is er nog. Want als ik mijn ogen dichtdoe en mijn gedachten naar Reeuwijk stuur, roep ik papa zo op. En als ik tegen hem praat, geeft hij gewoon antwoord.

En soms zegt ie iets, zonder dat ik erom vraag. Dat ik weer regelmatig een stukje moet schrijven, bijvoorbeeld. En het liefst over hem, dat zou hij fijn vinden.

Dus:

Voor jou, Cok.

Voor Cok

Want papa, ik lijk heel veel op jou

En wat ben ik daar blij mee

Want echt weg, zul je voor mij nooit zijn

In zoveel wat ik doe en zeg en adem

Blijf jij bij mij

Ik heb je lief  

 

Zo eindigde ik vorige week mijn toespraak. Gericht aan mijn liefste vadertje, die nu dus ergens in een andere dimensie zweeft. Zo stel ik het me, denk ik, voor: Cok met een pet op zijn hoofd zittend ergens op een bankje aan de plas. Binnen handbereik een sigaretje en een glaasje witte wijn. En dan af en toe wat mensen (en de hondjes)  naast hem op dat bankje. Zijn eigen moeder, Rem, Tineke, Willem. Allemaal van die leuke, net als hij en heel onverbiddelijk niet meer bij ons.

Want daar stonden we dan. In zo’n ruimte waar elke dag wel drie keer hetzelfde stuk wordt opgevoerd. Maar dan steeds met een andere familie. Gelukkig hebben wij Floor. Die zorgde maar mooi voor een paars-roze gloed over ons inwisselbare zaaltje. De kleuren van Cok.

Want echt weg, zul je voor mij nooit zijn.

Toen ik het schreef, voelde het waar. Maar nu zit ik toch ingeklemd tussen dat echt en weg. Tussen verdriet en melancholie.

Opeens ben ik terug in het huis met de bruine rib-bank en het beige tapijt. Jij ligt op die bank, met iets van een depressie. Ik speel met lucifer-poppetjes op de grond. Maar we doen ook boodschappen. Zeven pakjes caballero en een staatslot voor jou. En een nieuwe goudvis voor mij, elke zaterdag weer.

We vieren een zomer op het landje in Reeuwijk. Met tosti’s met draadjes-kaas en Fanta uit groene flessen. We varen over de plas in het bijna donker. Mijn zakken gevuld met de bonbons, die ik van jou mocht jatten bij het Vaantje.

Er komt een vrijdagavond eind jaren tachtig voorbij. Ik draag jouw blazer. Rood en veel te groot. Zwarte panty en kistjes eronder. Ik vraag hoe laat ik thuis moet zijn. ‘Half één,’ zegt jij. Ik vraag het nog een keer aan mama.

Ik ben terug op Texel, waar jij mij en een vriendin vertelt hoe laat we het best kunnen vertrekken. Dat we dan de boot precies om die tijd kunnen nemen. Zijn we zo laat thuis. Waarschijnlijk voor het donker. We luisteren half, maar doen het uiteindelijk precies zo.

Ik ben en denk herinneringen. Ik wil terug naar vroeger, besef ik me. Naar veertig, dertig jaar geleden en naar vorige week. Want nu snap ik het, je bent er echt niet meer.

In zoveel wat ik doe en zeg en adem

Blijf jij bij mij

Daar klopt nog niets van.

Van geen kant.

 

X Yvonne

een bipolair glas

Ik lijd er niet aan, dat mijn glas half leeg is. Het mijne zit namelijk altijd tot de rand gevuld. Welke kleur het water heeft, dat eroverheen klotst, is afhankelijk van mijn gemoed. Babybeentjes-roze of duivelsgroen, voor elke stemming heb ik een kleur op mijn palet.

‘Wat onwijs leuk dat je manuscript af is en dat wij het mogen lezen! Ik druk nu hier op printen. Je hoort gauw van me!’  antwoordde de uitgever.

Gauw is gisteren in mijn optiek. Dat ik na drie weken nog niets heb gehoord staat voor mij gelijk aan een afwijzing. Dit heeft maar een beetje met pessimisme, uit zelfbehoud, te maken. Ik voel het aan de bui, die hangt en aan mijn water. Gauw is minder lang dan het al duurt. Van “je héla hola en de moed” is geen sprake meer.

Het zijn inmiddels donkere golven, die over de rand van mijn glas spatten. De nog niet gekregen afwijzing is een zwarte olifant in mijn kamer, die een schaduw over meer dan alleen het schrijven werpt. Alles wat stom is, komt harder binnen dan het andere.

De auto achter me, die mijn bumper kust. De kat op mijn schoot, die uit het niets naar me slaat. Beloofde taarten, die niet worden gebakken. Iemand die te laat op een bericht reageert. Een collega-schrijfster, die op meerdere berichten helemaal niet reageert. Het paar sneakers, alleen nog maar verkrijgbaar in maat veertig. In alles zie ik een afwijzing. Ik ben niet snel-zacht-aardig-interessant-groot genoeg. Ik ben niet GOED genoeg. Het is ‘donkermalen’ in de achtste versnelling, wat ik doe.

Amai Amai, roept mijn aardigste binnenstem, niet geheel toevallig is ze Vlaams. U geeft uw frustratie de naam van katten, vriendinnen en schoenen. Laat die mensen en dieren gerust. U verlangt om kinderboekenschrijfster te zijn? U biedt zelf ongevraagd je werk aan. Als een uitgever niet direct ja roept, spelen meer dan duizend factoren. Doos! (dat laatste is mijn Rotterdamse stem).

En meteen klotst het minder. Direct klaart de lucht in mijn kamer op. Dat is dus ook wat schrijven (van dit blog) doet. En het gesprek, dat ik vandaag met mijn beste vriendje had. De kus van Ries vanmorgen. De tosti die ik zo ga maken. Zie daar, de waterkleur wisselt van nuance. Zo snel gaat dat soms in mijn hoofd.

Wat tot nu toe een gelukkige contante is; de vele stemmingen in mijn bipolair glaasje maken het weer de lente.

 

 

Blijf blij

Het is 09.44 uur, donderdag acht februari. ‘Blijf blij,’ tik ik in, op mijn toetsenbord. Ik leun achterover en lees de laatste regel van mijn manuscript. De afgelopen twee weken heb ik er onafgebroken aan geschreven en geschrapt, aan gedacht en op de valreep, verhaallijnen aangepast. Met onafgebroken, bedoel ik alleen door slaap gebroken.

Het is 09.45 uur, ik stink en ik ben moe. Maar alle spieren in mijn lichaam ontspannen. Mijn hoofdpersonage zit veilig en wel in haar koets terug naar huis.

Al maandenlang werkte ik aan een verhaal over verdriet en zakdoeken groot als lakens. Over egel-stekelsoep en leeuwenpoep. Als ik liep te wandelen met de hond broedde ik op de plot en de personages. In de auto onderweg naar de supermarkt verzon ik het decor en de bijfiguren.  Zo af en toe tikte ik wat zinnen uit en die vormden dan gestaag wat hoofdstukjes.

Toen kreeg ik een mailtje van de uitgever, waar mijn eersteling het licht zag.  Of ze dat debuut, voor een prikkie aan de Bruna mochten verkopen. Graag, schreef ik terug. Beter veel voor weinig, dan niets voor veel. Dat boek is namelijk niet meer leverbaar.  Of ze nog interesse hadden in een vervolg, wilde ik weten. Dat die opvolger bijna af was, loog ik erbij. Ik mocht altijd wat opsturen. Uiterlijk maart, als ik een kansje wilde maken om in de najaarsbrochure te komen.

Daarvan kreeg ik het op mijn heupen en zette ik mijn arbeid een versnelling hoger. Ik ging eens naar mijn ouders om daar op de logeerkamer zonder afleiding te schrijven. (En om me te laten verwennen met hachee en tomatensoep). Gestaag kreeg mijn verhaal meer gewicht, net als ik. Sporten lukt namelijk niet achter zo’n laptop, chocolade eten wel.  Na een (te) lange kerstvakantie reed ik begin januari op volle toeren weg, hersens in de vijfde versnelling.  Als ik in die snelheid aan een verhaal schrijf, ben ik verdwenen, in praktische zin.

Wat ik niet deed; het huishouden. Wat ik wel deed; zuchten, denken, kreunen en met rare zinnetjes strooien. Zomaar tijdens het wandelen of in bed.  Ik sliep te kort en dronk teveel. Ik maakte afspraken en zegde ze weer af. En ik kon alleen nog maar over mijn personages praten. Met zo iemand zijn, is geen lolletje aan. ‘Als het boek af is,’ riep ik steeds als het ging om het gewone leven.

‘Wat ik er eigenlijk mee ga verdienen,’ wilde zoon weten. ‘Ik weet niet eens of ze het gaan uitgeven,’ antwoordde ik. Waarom ik dan schrijf, wilde hij uiteraard weten.

Een echt goed antwoord heb ik niet op die vraag. Voor de lezer? Omdat kinderboekenschrijfster zo leuk klinkt of omdat ik stiekem ontdekt wil worden als de nieuwe J.K. Rowling. Het zal van alles een beetje zijn.

Het is 09.46 uur, donderdag acht februari. Ik staar naar mijn scherm. Ik begin te huilen.

Want ik weet opeens waarom ik schrijf. Tenminste als het om dit verhaal gaat. ‘Blijf blij,’ is de laatste zin van mijn boek. Dat zijn de woorden van mijn vader. ‘Dag moppie, blijf blij.’ Bij ieder afscheid, onder elk berichtje.

Als die zinnen gedrukt in een boek komen staan, blijft mijn vader voor altijd bestaan.

 

Tot de volgende x Yf

 

 

 

 

‘Door de maag’

“Unfaßbar”

Het is Uli Mutti (moeder van een vriend van Ries), die het onbegrijpelijk vindt dat ik me de; “art of making Knödels”, nog niet eigen heb gemaakt.  Ook de liefde (juist de liefde) van een Oostenrijkse man gaat door de maag. Het is daarom dat ze hem, als we in Wenen zijn, altijd een bord Semml-Knödels met linzen voorzet.  Ik mag een broodje kaas. Dat ik geen deegballen eet, vindt ze tot daaraan toe. Dat ik ze thuis niet maak voor Ries; ‘das geht doch nicht’.

Ik vond het nooit zo nodig, om middels kookkunsten mijn houden van te tonen (ook niet via bloemschikken-het huishouden doen of knopen aanzetten, trouwens). Ik ben  van de omgekeerde Feyenoord-theorie; wel woorden, geen daden. Ik zend mijn liefde graag via energieke luchtbanen of anders een romantische woordenstroom. Liever lui dan bezig, dat leek me lange tijd wel voldoende.

Tegenwoordig ligt achter mij een berg met klimmende jaren. Gestapeld uit kazen, die moesten worden gegeten. Ondergedompeld in wijnen, die moesten worden gedronken. Met een topping van chocolade, omdat ene tony chocolonely zo nodig een reep op de markt moest brengen. Wie bedacht heeft om zeezout en karamel samen te laten smelten: op de brandstapel ermee. Al was het maar uit naam van mijn zwembandje van roze vlees. Of van die  boezem, waarmee ik een volledige kleuterklas kan troosten.

Dan is er nog iets. Steeds vaker valt het me op. Het lijkt een trend. Overal om me heen, van die dames jonger, strakker en, waarschijnlijk, veel slimmer, dan ik. Ik denk wel eens, straks heeft Ries dat ook door. Om een beetje verwarring te zaaien (en een soort van preventieve relatietherapie in mijn eentje), besloot ik dan maar uit mijn luie stoel te komen.

Zo kwam het dat ik mijn handen afgelopen weekend terugvond in een bak gevuld met oud brood, eieren, melk en heel veel meel. Liefde is koude vingers in plakdeeg. Eigenlijk vond ik het stiekem hopeloos. Die zompige zooi in die bak. Dat konden toch nooit mooie egale deegballen worden?*

‘Nu hou ik nog meer van je.’ Ries stapte de keuken in en keek even mee over mijn schouder. En waarachtig, ik dacht te voelen (en daar ben ik goed in, in voelen), dat hij het nog meende ook. Verwarrend vond ik dat. Non feministisch prettig en licht ‘unfaßbar’.

Tot de volgende

Yf

 

*Werd het ook niet-zie foto

 

 

 

‘maar een spelletje’

Van die dingen die ik beweer: ‘Is helemaal niet erg’ -als iemand vijf minuten voor de afspraak afzegt. ‘Geen probleem mee’ -over ouder worden. ‘Ik begrijp het helemaal’ -terwijl ik echt niet snapt waarom de uitgeverij mijn manuscript weigert. ’Mis ik niks aan’ -over de beste vriendin, die een afslag uit mijn leven nam. ‘Ik kan best goed tegen mijn verlies,’ -in het algemeen.

Geen van allen waar. Stoerdoenerij om mijn gezicht niet te verliezen, deze leugens. Behalve de laatste. Daarvan dacht ik echt .. nu ja.

In Oostenrijk worden kinderen opgevoed met de vier s-en; Schnitzel-Schnee-SpaB und Spiel. Nog steeds vult Ries zijn vrije tijd graag met kaarten, pionnen of dobbelstenen. En tot de neusgaten weigeren vaak maandenlang hetzelfde spel.

Ik hou niet zo van spelletjes (iets met een broer-dammen en altijd dat bord om, als ik de winnende hand bleek te hebben). Ik hou wel van mijn Oostenrijkse man en zoals dat gaat in huwelijkse staat, doe je wel eens wat voor de ander.

Daar zitten we, aan tafel. Doordeweekse dag, met een wijntje erbij (dat ken dan weer uit mijn jeugd). Richard legt de kaarten omgekeerd op tafel. Ik neem een slok. Burgerlijk prettig. Dat zal de man, die net voorbijloopt en door het raam naar binnen kijkt, ook denken. We spelen Carcasonne. Dat spel bestaat al een tijd, in ons leven is het redelijk nieuw. Waar het op neer komt; het bouwen van wegen en steden en meer. Wat ook kan (voor extra punten): het gebouwde van elkaar afpakken en land veroveren.

Zoals ook in het echte leven, ben ik erg druk met mezelf. Ries doet en praat. Maar wat hij zegt of hoe hij een stad bouwt, dat registreer ik niet echt. ‘Ha! een afsluiter. ‘Met zo’n klooster kan ik helemaal niets, Yes! eindelijk een vijver.’ Dat zijn de zinnen die mijn hoofd vullen, als ik kijk, puzzel en bouw. Rode wangen, krijg ik ervan. En overmoed. Op deze manier steven ik af op de winst, denk ik blij-ig als ik een goeie kaart leg.

En dan zet Ries een pion precies neer, dat al het land van hem is. Hij legt zijn kaart zo, dat ik dreig mijn stad te verliezen. De sensatie die ik mijn buik voel is nieuw. Een vuist die net niet door de wand heen slaat. De ‘in zijn nopjes’ -aura van Ries doet mijn nijd geen goed. De niet te verbergen zelfgenoegzame stuiptrekking rond zijn mondhoeken ook niet. Slaan wil ik die man, of minstens een week niet kussen.

Richard wint soms, ik verlies altijd mijn gezicht. Omdat ik tegenwoordig al begin met dreinen bij alleen nog maar intentie. Echt leuk, zo’n spelletje!

Tot de volgende

x yf

Naar thuis

Het is twee uur -’s nachts. Ik word wakker van de regen, die tegen het schuine dak slaat. Het waait ook flink. Ik lig, alleen, in een halve bedstede op de logeerkamer van mijn ouders. Ik sla het gordijn opzij. De slinger gekleurde lichten, die als een sjaal om de de vlaggenmast van de zeilclub hangt, speelt met het donkere water van de plas. Ik hou ervan. Van de regen, wind en van de Reeuwijkse plassen zo in de nacht.  En toch, mis ik thuis.

Mijn voeten tegen de benen van Richard. Ons bed. De goedkope Hema-wekker op mijn nachtkastje. Dat ik de kleur van het donker ken. Het weten dat in de andere  slaapkamers op dezelfde verdieping zoon en dochter liggen te slapen. Die vulling maakt, meer nog dan de stenen en het dak, van het huis waarin we wonen mijn thuis.

Vreemd hoe het gaat. Als kind kon ik me niet voorstellen, dat ik ooit ergens anders beter zou slapen dan onder het dak van mijn ouders. Het liefst in hun bed. Bijna elke nacht schoof ik als een voorzichtig spook tussen ze in.

Het is de derde nacht, bij mijn ouders, dat wind en regen me wekt. Dat het thuis willen zijn mijn huid aait. Het is de vierde avond, als we na het eten een kaartje leggen. En zoals altijd, sinds hij ziek is op de een of andere manier nog meer, zie ik alles wat mijn vader doet (en wat hij niet doet). Als ik aanmerk dat hij niet met volle mond moet praten, reageert hij licht geïrriteerd. Als ik uitroep dat ie zelf ook wel eens wat kan doen, wordt hij bijkans een beetje boos. ‘Hoe laat ga jij morgen eigenlijk weg?’ vraagt hij dan. Uit zijn vraag spreekt het verlangen, van hoe vroeger hoe beter. En daar moet ik om lachen. Ik mag dan een beetje heimwee hebben. Mijn vader is me zat.*

 

Tot de volgende

x Yf

 

*En gelijk heeft hij. Als mijn dochter (zijn het altijd de dochters?) klaagt omdat ik ademhaal, zet ik haar ook het liefste op de trein naar Enkhuizen of Appelscha.