Voor Cok

Want papa, ik lijk heel veel op jou

En wat ben ik daar blij mee

Want echt weg, zul je voor mij nooit zijn

In zoveel wat ik doe en zeg en adem

Blijf jij bij mij

Ik heb je lief  

 

Zo eindigde ik vorige week mijn toespraak. Gericht aan mijn liefste vadertje, die nu dus ergens in een andere dimensie zweeft. Zo stel ik het me, denk ik, voor: Cok met een pet op zijn hoofd zittend ergens op een bankje aan de plas. Binnen handbereik een sigaretje en een glaasje witte wijn. En dan af en toe wat mensen (en de hondjes)  naast hem op dat bankje. Zijn eigen moeder, Rem, Tineke, Willem. Allemaal van die leuke, net als hij en heel onverbiddelijk niet meer bij ons.

Want daar stonden we dan. In zo’n ruimte waar elke dag wel drie keer hetzelfde stuk wordt opgevoerd. Maar dan steeds met een andere familie. Gelukkig hebben wij Floor. Die zorgde maar mooi voor een paars-roze gloed over ons inwisselbare zaaltje. De kleuren van Cok.

Want echt weg, zul je voor mij nooit zijn.

Toen ik het schreef, voelde het waar. Maar nu zit ik toch ingeklemd tussen dat echt en weg. Tussen verdriet en melancholie.

Opeens ben ik terug in het huis met de bruine rib-bank en het beige tapijt. Jij ligt op die bank, met iets van een depressie. Ik speel met lucifer-poppetjes op de grond. Maar we doen ook boodschappen. Zeven pakjes caballero en een staatslot voor jou. En een nieuwe goudvis voor mij, elke zaterdag weer.

We vieren een zomer op het landje in Reeuwijk. Met tosti’s met draadjes-kaas en Fanta uit groene flessen. We varen over de plas in het bijna donker. Mijn zakken gevuld met de bonbons, die ik van jou mocht jatten bij het Vaantje.

Er komt een vrijdagavond eind jaren tachtig voorbij. Ik draag jouw blazer. Rood en veel te groot. Zwarte panty en kistjes eronder. Ik vraag hoe laat ik thuis moet zijn. ‘Half één,’ zegt jij. Ik vraag het nog een keer aan mama.

Ik ben terug op Texel, waar jij mij en een vriendin vertelt hoe laat we het best kunnen vertrekken. Dat we dan de boot precies om die tijd kunnen nemen. Zijn we zo laat thuis. Waarschijnlijk voor het donker. We luisteren half, maar doen het uiteindelijk precies zo.

Ik ben en denk herinneringen. Ik wil terug naar vroeger, besef ik me. Naar veertig, dertig jaar geleden en naar vorige week. Want nu snap ik het, je bent er echt niet meer.

In zoveel wat ik doe en zeg en adem

Blijf jij bij mij

Daar klopt nog niets van.

Van geen kant.

 

X Yvonne

een bipolair glas

Ik lijd er niet aan, dat mijn glas half leeg is. Het mijne zit namelijk altijd tot de rand gevuld. Welke kleur het water heeft, dat eroverheen klotst, is afhankelijk van mijn gemoed. Babybeentjes-roze of duivelsgroen, voor elke stemming heb ik een kleur op mijn palet.

‘Wat onwijs leuk dat je manuscript af is en dat wij het mogen lezen! Ik druk nu hier op printen. Je hoort gauw van me!’  antwoordde de uitgever.

Gauw is gisteren in mijn optiek. Dat ik na drie weken nog niets heb gehoord staat voor mij gelijk aan een afwijzing. Dit heeft maar een beetje met pessimisme, uit zelfbehoud, te maken. Ik voel het aan de bui, die hangt en aan mijn water. Gauw is minder lang dan het al duurt. Van “je héla hola en de moed” is geen sprake meer.

Het zijn inmiddels donkere golven, die over de rand van mijn glas spatten. De nog niet gekregen afwijzing is een zwarte olifant in mijn kamer, die een schaduw over meer dan alleen het schrijven werpt. Alles wat stom is, komt harder binnen dan het andere.

De auto achter me, die mijn bumper kust. De kat op mijn schoot, die uit het niets naar me slaat. Beloofde taarten, die niet worden gebakken. Iemand die te laat op een bericht reageert. Een collega-schrijfster, die op meerdere berichten helemaal niet reageert. Het paar sneakers, alleen nog maar verkrijgbaar in maat veertig. In alles zie ik een afwijzing. Ik ben niet snel-zacht-aardig-interessant-groot genoeg. Ik ben niet GOED genoeg. Het is ‘donkermalen’ in de achtste versnelling, wat ik doe.

Amai Amai, roept mijn aardigste binnenstem, niet geheel toevallig is ze Vlaams. U geeft uw frustratie de naam van katten, vriendinnen en schoenen. Laat die mensen en dieren gerust. U verlangt om kinderboekenschrijfster te zijn? U biedt zelf ongevraagd je werk aan. Als een uitgever niet direct ja roept, spelen meer dan duizend factoren. Doos! (dat laatste is mijn Rotterdamse stem).

En meteen klotst het minder. Direct klaart de lucht in mijn kamer op. Dat is dus ook wat schrijven (van dit blog) doet. En het gesprek, dat ik vandaag met mijn beste vriendje had. De kus van Ries vanmorgen. De tosti die ik zo ga maken. Zie daar, de waterkleur wisselt van nuance. Zo snel gaat dat soms in mijn hoofd.

Wat tot nu toe een gelukkige contante is; de vele stemmingen in mijn bipolair glaasje maken het weer de lente.

 

 

Blijf blij

Het is 09.44 uur, donderdag acht februari. ‘Blijf blij,’ tik ik in, op mijn toetsenbord. Ik leun achterover en lees de laatste regel van mijn manuscript. De afgelopen twee weken heb ik er onafgebroken aan geschreven en geschrapt, aan gedacht en op de valreep, verhaallijnen aangepast. Met onafgebroken, bedoel ik alleen door slaap gebroken.

Het is 09.45 uur, ik stink en ik ben moe. Maar alle spieren in mijn lichaam ontspannen. Mijn hoofdpersonage zit veilig en wel in haar koets terug naar huis.

Al maandenlang werkte ik aan een verhaal over verdriet en zakdoeken groot als lakens. Over egel-stekelsoep en leeuwenpoep. Als ik liep te wandelen met de hond broedde ik op de plot en de personages. In de auto onderweg naar de supermarkt verzon ik het decor en de bijfiguren.  Zo af en toe tikte ik wat zinnen uit en die vormden dan gestaag wat hoofdstukjes.

Toen kreeg ik een mailtje van de uitgever, waar mijn eersteling het licht zag.  Of ze dat debuut, voor een prikkie aan de Bruna mochten verkopen. Graag, schreef ik terug. Beter veel voor weinig, dan niets voor veel. Dat boek is namelijk niet meer leverbaar.  Of ze nog interesse hadden in een vervolg, wilde ik weten. Dat die opvolger bijna af was, loog ik erbij. Ik mocht altijd wat opsturen. Uiterlijk maart, als ik een kansje wilde maken om in de najaarsbrochure te komen.

Daarvan kreeg ik het op mijn heupen en zette ik mijn arbeid een versnelling hoger. Ik ging eens naar mijn ouders om daar op de logeerkamer zonder afleiding te schrijven. (En om me te laten verwennen met hachee en tomatensoep). Gestaag kreeg mijn verhaal meer gewicht, net als ik. Sporten lukt namelijk niet achter zo’n laptop, chocolade eten wel.  Na een (te) lange kerstvakantie reed ik begin januari op volle toeren weg, hersens in de vijfde versnelling.  Als ik in die snelheid aan een verhaal schrijf, ben ik verdwenen, in praktische zin.

Wat ik niet deed; het huishouden. Wat ik wel deed; zuchten, denken, kreunen en met rare zinnetjes strooien. Zomaar tijdens het wandelen of in bed.  Ik sliep te kort en dronk teveel. Ik maakte afspraken en zegde ze weer af. En ik kon alleen nog maar over mijn personages praten. Met zo iemand zijn, is geen lolletje aan. ‘Als het boek af is,’ riep ik steeds als het ging om het gewone leven.

‘Wat ik er eigenlijk mee ga verdienen,’ wilde zoon weten. ‘Ik weet niet eens of ze het gaan uitgeven,’ antwoordde ik. Waarom ik dan schrijf, wilde hij uiteraard weten.

Een echt goed antwoord heb ik niet op die vraag. Voor de lezer? Omdat kinderboekenschrijfster zo leuk klinkt of omdat ik stiekem ontdekt wil worden als de nieuwe J.K. Rowling. Het zal van alles een beetje zijn.

Het is 09.46 uur, donderdag acht februari. Ik staar naar mijn scherm. Ik begin te huilen.

Want ik weet opeens waarom ik schrijf. Tenminste als het om dit verhaal gaat. ‘Blijf blij,’ is de laatste zin van mijn boek. Dat zijn de woorden van mijn vader. ‘Dag moppie, blijf blij.’ Bij ieder afscheid, onder elk berichtje.

Als die zinnen gedrukt in een boek komen staan, blijft mijn vader voor altijd bestaan.

 

Tot de volgende x Yf

 

 

 

 

‘Door de maag’

“Unfaßbar”

Het is Uli Mutti (moeder van een vriend van Ries), die het onbegrijpelijk vindt dat ik me de; “art of making Knödels”, nog niet eigen heb gemaakt.  Ook de liefde (juist de liefde) van een Oostenrijkse man gaat door de maag. Het is daarom dat ze hem, als we in Wenen zijn, altijd een bord Semml-Knödels met linzen voorzet.  Ik mag een broodje kaas. Dat ik geen deegballen eet, vindt ze tot daaraan toe. Dat ik ze thuis niet maak voor Ries; ‘das geht doch nicht’.

Ik vond het nooit zo nodig, om middels kookkunsten mijn houden van te tonen (ook niet via bloemschikken-het huishouden doen of knopen aanzetten, trouwens). Ik ben  van de omgekeerde Feyenoord-theorie; wel woorden, geen daden. Ik zend mijn liefde graag via energieke luchtbanen of anders een romantische woordenstroom. Liever lui dan bezig, dat leek me lange tijd wel voldoende.

Tegenwoordig ligt achter mij een berg met klimmende jaren. Gestapeld uit kazen, die moesten worden gegeten. Ondergedompeld in wijnen, die moesten worden gedronken. Met een topping van chocolade, omdat ene tony chocolonely zo nodig een reep op de markt moest brengen. Wie bedacht heeft om zeezout en karamel samen te laten smelten: op de brandstapel ermee. Al was het maar uit naam van mijn zwembandje van roze vlees. Of van die  boezem, waarmee ik een volledige kleuterklas kan troosten.

Dan is er nog iets. Steeds vaker valt het me op. Het lijkt een trend. Overal om me heen, van die dames jonger, strakker en, waarschijnlijk, veel slimmer, dan ik. Ik denk wel eens, straks heeft Ries dat ook door. Om een beetje verwarring te zaaien (en een soort van preventieve relatietherapie in mijn eentje), besloot ik dan maar uit mijn luie stoel te komen.

Zo kwam het dat ik mijn handen afgelopen weekend terugvond in een bak gevuld met oud brood, eieren, melk en heel veel meel. Liefde is koude vingers in plakdeeg. Eigenlijk vond ik het stiekem hopeloos. Die zompige zooi in die bak. Dat konden toch nooit mooie egale deegballen worden?*

‘Nu hou ik nog meer van je.’ Ries stapte de keuken in en keek even mee over mijn schouder. En waarachtig, ik dacht te voelen (en daar ben ik goed in, in voelen), dat hij het nog meende ook. Verwarrend vond ik dat. Non feministisch prettig en licht ‘unfaßbar’.

Tot de volgende

Yf

 

*Werd het ook niet-zie foto

 

 

 

‘maar een spelletje’

Van die dingen die ik beweer: ‘Is helemaal niet erg’ -als iemand vijf minuten voor de afspraak afzegt. ‘Geen probleem mee’ -over ouder worden. ‘Ik begrijp het helemaal’ -terwijl ik echt niet snapt waarom de uitgeverij mijn manuscript weigert. ’Mis ik niks aan’ -over de beste vriendin, die een afslag uit mijn leven nam. ‘Ik kan best goed tegen mijn verlies,’ -in het algemeen.

Geen van allen waar. Stoerdoenerij om mijn gezicht niet te verliezen, deze leugens. Behalve de laatste. Daarvan dacht ik echt .. nu ja.

In Oostenrijk worden kinderen opgevoed met de vier s-en; Schnitzel-Schnee-SpaB und Spiel. Nog steeds vult Ries zijn vrije tijd graag met kaarten, pionnen of dobbelstenen. En tot de neusgaten weigeren vaak maandenlang hetzelfde spel.

Ik hou niet zo van spelletjes (iets met een broer-dammen en altijd dat bord om, als ik de winnende hand bleek te hebben). Ik hou wel van mijn Oostenrijkse man en zoals dat gaat in huwelijkse staat, doe je wel eens wat voor de ander.

Daar zitten we, aan tafel. Doordeweekse dag, met een wijntje erbij (dat ken dan weer uit mijn jeugd). Richard legt de kaarten omgekeerd op tafel. Ik neem een slok. Burgerlijk prettig. Dat zal de man, die net voorbijloopt en door het raam naar binnen kijkt, ook denken. We spelen Carcasonne. Dat spel bestaat al een tijd, in ons leven is het redelijk nieuw. Waar het op neer komt; het bouwen van wegen en steden en meer. Wat ook kan (voor extra punten): het gebouwde van elkaar afpakken en land veroveren.

Zoals ook in het echte leven, ben ik erg druk met mezelf. Ries doet en praat. Maar wat hij zegt of hoe hij een stad bouwt, dat registreer ik niet echt. ‘Ha! een afsluiter. ‘Met zo’n klooster kan ik helemaal niets, Yes! eindelijk een vijver.’ Dat zijn de zinnen die mijn hoofd vullen, als ik kijk, puzzel en bouw. Rode wangen, krijg ik ervan. En overmoed. Op deze manier steven ik af op de winst, denk ik blij-ig als ik een goeie kaart leg.

En dan zet Ries een pion precies neer, dat al het land van hem is. Hij legt zijn kaart zo, dat ik dreig mijn stad te verliezen. De sensatie die ik mijn buik voel is nieuw. Een vuist die net niet door de wand heen slaat. De ‘in zijn nopjes’ -aura van Ries doet mijn nijd geen goed. De niet te verbergen zelfgenoegzame stuiptrekking rond zijn mondhoeken ook niet. Slaan wil ik die man, of minstens een week niet kussen.

Richard wint soms, ik verlies altijd mijn gezicht. Omdat ik tegenwoordig al begin met dreinen bij alleen nog maar intentie. Echt leuk, zo’n spelletje!

Tot de volgende

x yf

Naar thuis

Het is twee uur -‘s nachts. Ik word wakker van de regen, die tegen het schuine dak slaat. Het waait ook flink. Ik lig, alleen, in een halve bedstede op de logeerkamer van mijn ouders. Ik sla het gordijn opzij. De slinger gekleurde lichten, die als een sjaal om de de vlaggenmast van de zeilclub hangt, speelt met het donkere water van de plas. Ik hou ervan. Van de regen, wind en van de Reeuwijkse plassen zo in de nacht.  En toch, mis ik thuis.

Mijn voeten tegen de benen van Richard. Ons bed. De goedkope Hema-wekker op mijn nachtkastje. Dat ik de kleur van het donker ken. Het weten dat in de andere  slaapkamers op dezelfde verdieping zoon en dochter liggen te slapen. Die vulling maakt, meer nog dan de stenen en het dak, van het huis waarin we wonen mijn thuis.

Vreemd hoe het gaat. Als kind kon ik me niet voorstellen, dat ik ooit ergens anders beter zou slapen dan onder het dak van mijn ouders. Het liefst in hun bed. Bijna elke nacht schoof ik als een voorzichtig spook tussen ze in.

Het is de derde nacht, bij mijn ouders, dat wind en regen me wekt. Dat het thuis willen zijn mijn huid aait. Het is de vierde avond, als we na het eten een kaartje leggen. En zoals altijd, sinds hij ziek is op de een of andere manier nog meer, zie ik alles wat mijn vader doet (en wat hij niet doet). Als ik aanmerk dat hij niet met volle mond moet praten, reageert hij licht geïrriteerd. Als ik uitroep dat ie zelf ook wel eens wat kan doen, wordt hij bijkans een beetje boos. ‘Hoe laat ga jij morgen eigenlijk weg?’ vraagt hij dan. Uit zijn vraag spreekt het verlangen, van hoe vroeger hoe beter. En daar moet ik om lachen. Ik mag dan een beetje heimwee hebben. Mijn vader is me zat.*

 

Tot de volgende

x Yf

 

*En gelijk heeft hij. Als mijn dochter (zijn het altijd de dochters?) klaagt omdat ik ademhaal, zet ik haar ook het liefste op de trein naar Enkhuizen of Appelscha.

 

 

 

Lieve januari

Lieve januari,

Jij bent de beste maand, zoveel lege pagina’s en lekker lang. Wat ga ik je gebruiken. In al je eenendertig dagen schrijf ik nieuwe verhalen. Ik geef je tien overtollige kilo’s cadeau en mijn teveel aan gepeins. In jou lijkt alles mogelijk. Gisteren heb ik alvast de helft gegeten en nul wijn gedronken. Daarna wandelde ik met mijn hoofd in de wind op de berg. ’s Avonds heb ik op de bank heel mindfulness-achtig mijn buik dunner gedacht (dat kan!).  Straks ga ik naar de sportschool, waar ik na een stevige cardio een uurtje ga liggen zweten in de sauna. Alles om het gif van je verleidelijke vermaledijde neefje december (van wie we hebben genoten met al het bezoek, lichtjes, liefde, wijn, curry’s, bouten, borsten en stukken, maar genoeg is genoeg) uit mijn lichaam te ‘abs-attacken’.

En misschien wil je even luisteren naar mijn goede voornemens in de binnenkant van mijn bestaan? Ik ga alleen nog maar naar filmhuisfilms. Mijn kledingkasten ruim ik uit. Mijn keukenkasten ruim ik in met alleen maar biologisch eten. Ik blaas dit blog met persoonlijke verhalen nieuw leven in. Ik zal niet alleen maar verzuchten dat het eten heerlijk was, de band goed speelde, en dat hij er heus goed uitziet voor zijn leeftijd. Ik wil het voelen. En mooie teennagels, jeugdig gelakt in slippers gestoken, dat wil ik ook. En meer. Een definitieve doorbraak in de letteren. Die kan zomaar komen dit jaar. Vanillevla met wormen krijgt misschien een staartje. En een nieuw manuscript is bijna klaar. Aan de andere kant van de wereld staat ook nog Wilma, op de pechstrook van een provinciale weg in luchtvochtig Martinique. Voor die ene trouwe volger; daar blijft ze aankomende maand nog even staan, maar verder reizen doet ze vast en zeker.

Mijn januari duurt meestal tot half februari: Het moment waarop ik mijn skibroek pas en deze nog strakker dan vorig jaar zit. Dan wil ik weer eens een film zien, die ik snap. Geef ik mijn geld toch liever uit in de Zara dan in de biologische winkel. Ook valt in februari mijn verjaardag op mijn voeten (met altijd nog immer nagels ver van prachtig). En hoe hevig ik een leeftijd-neutrale benadering op mezelf toepas. De teller loopt hoe dan ook – te- snel op.

Daarop besluit ik de boel te laten vieren. Omdat het leven toch vooral makkelijk moet zijn. En een boterham met kaas is sneller gemaakt dan een quinoa-salade met granaatappelpitten en verse tijm, een wijntje sneller ingeschonken dan limonade gemaakt van zelf geplukte vlierbesbloesem en de sportschool is makkelijker niet dan wel bezocht.

Wat dan volgen zijn de maanden waarin ik toewerk naar een nieuwe januari. Lege pagina’s, volle plannen en haalbare kaarten. De beste maand!

Dat wens ik iedereen: een best 2018.

Met doorademen, lezen, lachen en schrijven!

 

Tot de volgende

X Yf

 

 

 

Wilma

Via deze sympathieke weg stel ik Wilma aan jullie voor.

Iets (of iemand) zeurde al een poos in mijn hoofd en ik denk dat ik het zelf was. Anders dan deze blogjes zocht ik een vorm, waarin ik een leven (dat het mijne niet is, maar er wellicht wel wat op lijkt ) kon gieten. Ik denk dat ik iets heb gevonden. Ik ben dol op feuilletons. Leef! van Maria Goos, Evelien van Martin Bril,  Sanne van Marian van den Berg lees, las en herlees ik graag. Omdat ik graag wat meer de grens van waar en niet waar op wil zoeken, heb ik besloten een feuille-blog te beginnen. Mijn hoofdpersoon heet Wilma Jansen.

Wilma is vrouw en vrouw van, moeder, dochter, schrijfster van het boek; ‘de voortplantingsdrift van de Cavia porcellus’. Best lui. Witte wijn-buikje. Hypochonder. Op zoek naar zin in en de zin van het leven. ‘Wie is de mol’-fan van het eerste uur.

https://wilmawilwieisdemolwinnen.wordpress.com/2017/06/08/boekenbakker/

Ik hoop dat Wilma haar weg vindt op het wereldwijde web en dat jullie van haar gaan houden!

En voor wie het leuk vindt: Delen mag, graag!

 

X yf

 

 

 

 

It’s a dad!

Ik ben op bezoek bij Els, buurvrouw-weduwe-vijfentachtig-volgens mij niet de makkelijkste-maar bovenal eenzaam. Hoe het met mijn vader gaat, wil ze weten. Blij-ig vertel ik van het bed in de woonkamer en dat hij al niet meer elke dag thuishulp hoeft. Dat hij soms opstaat en naar het toilet gaat en dan denkt; verhip ik loop zonder rollator. Dat het best zijn gangetje gaat, zo thuis. ‘Dan wacht hij nu eigenlijk op de dood,’ constateert Els op de toon van een ervaringsdeskundige. En die is ze, want aan de kanker heeft ze haar man verloren. ‘Die van mij kon alleen maar huilen,’ zegt ze ook nog.

Ach, het is maar hoe je het ziet. Als je wordt geboren, wacht je de dood. Maar geen arts, die tegen ouders van een pasgeboren baby zegt; Ik geef dit kind zevenentachtig, twaalf of veertig jaar (verdrietige uitzonderingen daargelaten). ‘Gefeliciteerd met jullie zoon,’ wordt geroepen. ‘Hoera het is een meisje,’ staat er op de kaartjes geschreven. Daarna begint het leven. Waarbij de waarheid het cliche is: Mijn vader gaat dood, maar ook ik kan morgen gaan. Ik hoef mijn mijn tanden maar in een visje met een kwaadwillend graatje te zetten.

Cok ligt niet te wachten op de dood en hele dagen huilen doet hij evenmin. Als de zon schijnt, zit hij buiten. Als ik er ben, lacht hij om mijn flauwe grapjes. Als mijn moeder opstaat, heeft hij altijd een klusje voor haar. Hij slikt zevenendertig pillen per dag om zijn suiker op peil te houden. Om die pillen het nodige werk te verschaffen, snoept hij van de taart tot die op is. Hij is intens blij dat  Feijenoord kampioen geworden is en stuurt me onleesbare whapjes (want hij spreekt ze in). Hij gaat naar fysiotherapie en is daarna drie dagen van slag. Er komt veel bezoek en dan ‘lult’ ie wat af. Zo muts hij zichzelf de dag door. En dat is precies zoals hij deed, voordat hij wist dat hij ziek was.

Er is zelfs iets bij. Mijn vader is een leven lang bang, dat hij doodgaat. De deur van zijn hemel staat nu op een kiertje. Daar is hij verdrietig over, maar voor het onvermijdelijke lijkt hij niet bang.  Dat is is fijn en dat is nieuw, alsof er een stukje persoonlijkheid opnieuw is geboren. ‘Hoera pap!’ Je helpt mij, om niet bang te leven.

Tot de volgende x Yf

 

Tja

‘Dat meen je niet, daar geef je toch geen toestemming voor, ‘ zei ik een maand geleden tegen mijn moeder. Ze had me net verteld dat een filmploeg mijn vaders spoed-opname in het ziekenhuis had vastgelegd. Ik moest er niet aan denken. Lig je daar in je onderbroekje, op een kwetsbaar moment in je leven en dan hangt er een cameraman boven je bed. Maar wat mijn vader en moeder samen beleven is hun verhaal. Ik ben er deel van, maar het pronkstuk zijn ze toch echt zelf. Ik heb het maar te respecteren dat ze hun ‘fifteen minutes of fame’ aan sbs hebben gegeven.

Een gewone dinsdagmiddag, we zitten op de bank, Ries en ik. Te kijken naar een herhaling van het tv programma: Traumacenter. Ik doe alsof het een homevideo is en Ries heeft een hand schuin over zijn ogen. Want het is een beetje meer dan we aankunnen. Mijn vaders verschrikte hoofd. Zijn opmerking dat het mijn moeders schuld was, die longontsteking. Van haar mag hij namelijk niet binnen roken. Ik snap zo’n grapje, maar begrijpt de rest van Nederland dat ook? Moeten die teennagels trouwens zo lang in beeld? Kunnen ze nog meer inzoomen op de angst in zijn ogen? En waarom hebben wij zo’n grote televisie!? ‘Het echtpaar de Vries hoopt op een goeie afloop,’ met die woorden eindigt het programma.

Tja.

‘Het is longkanker, uitgezaaid en niet te genezen,’ vertelde mijn broer me vorige week aan de telefoon. Hij vertelde meer, maar dat kwam niet binnen. Mijn vader gaat dood, speelde een heel verkeerde drum in mijn hoofd.

De dag erop zat ik aan zijn bed en vond ik een terneergeslagen man. Er ging een weekend overheen. Toen we er gisteren waren, was het mijn vader weer, in dat bed. Met praatjes en grapjes en meer kleur op zijn wangen dan de weken ervoor. Trek in een saucijzenbroodje, had hij ook. En al gebruikt hij een looprek, menig kievit doet hem niet na. Opeens zag ik het: hij gaat ervoor. Hij wil aansterken, want dan mag hij naar huis. Om te ‘mutseflutsen’ en met ons de lente en de zomer te vieren op zijn mooie Reeuwijk. En weten wij veel; hoeveel zomers nog. Dat weet toch niemand.

De drum in mijn hoofd is verdwenen. T’is meer een melodie. Mijn vader is ziek en wordt niet beter. Maar zolang hij daarmee leven kan, kan ik dat ook.

 

Tot de volgende

x Yf