En toen viel mijn vader om. Van thuis op de bank naar de intensive care, bleek maar een ambulance-ritje ver weg. Ik schreef een paar blogjes terug al over zijn dunne benen, maar afgelopen jaar werd eigenlijk alles aan hem mager. Aan zijn gezicht, grijzig en vlak, was het ook te zien. Iets onder zijn huid klopte niet. Dat wist hij best, maar voor dat weten stond geen willen. Als struisvogelpolitiek een baan is, is mijn vader toch niet met pensioen. Dat hoestje betekende niets en bovendien werd het al minder, werd een standaard riedeltje. En wij lieten het maar. Een volwassen man, al is hij nog zo mager, sleur je niet mee naar de eerste hulp. Dus heel onverwacht kwam het niet, dat ie het plots even niet meer deed. Geschrokken zijn wel allemaal wel. Vooral mijn moeder, want die stond erbij en moest er wat mee. (En dat deed ze gelukkig snel en doeltreffend)

Ik zou willen schrijven; dat was de reden van even een tijdje radiostilte en geen blog. Dat mijn vader nu thuis in de tuin zit met de zon op zijn gezicht, op weg naar volledig herstel.

Helaas, hij  ligt nog in het ziekenhuis. Niet slechter, maar ook niet beter dan eerst. Nog steeds mager en op zijn gezicht een blik van permanente schrik. Om wat er allemaal is gebeurd en ook omdat de resultaten van vervelende onderzoeken nog moeten komen. Die nare ziekte die mijn vader denkt te hebben in het diepst van zijn sluimergedachte, is evengoed nog steeds aanwezig.

En ik vind het zo naar voor hem. Alle naalden in zijn lijf en dat hij zijn eigen benen niet meer vertrouwt. Rot voor mijn moeder, die dan wel vaak zo heerlijk op mijn vader moppert, maar ondertussen niet zonder hem kan. Cok en Mieke, die namen bij elkaar zijn een instituut. Dat mag niet zomaar worden opgeheven.

Ik dacht altijd, als er ooit wat met mijn vader is, kun je me opvegen. Ik bleek geen bezem nodig te hebben. Hier in Maastricht kan ik verzinnen dat hij niet ziek is, maar gewoon thuis op de bank zit. En in de reuring van ons huishouden en mijn schrijven vind ik genoeg afleiding. Bovendien heb ik vorige week woensdag mijn maandreserve aan tranen opgemaakt, omdat hij toen zo bangig klonk aan de telefoon. Maar verder houd ik het best droog.

‘Wat heb je je gevoelens toch aardig onder controle’, dacht ik vanmorgen nog. Toen belde hij. Met die stem, wankel en van medicijnen doorspekt. Hij was onder de douche geweest, voor het eerst in die tien dagen dat hij in het ziekenhuis ligt. Dat het zo fijn voelde, zei hij blij-ig. In die rolstoel onder de warme waterstraal.

Daar moest ik dan zomaar weer wel hard om huilen.

Tot de volgende X yf

 

 

 

Geef een reactie