Voor Cok

Voor Cok

Want papa, ik lijk heel veel op jou

En wat ben ik daar blij mee

Want echt weg, zul je voor mij nooit zijn

In zoveel wat ik doe en zeg en adem

Blijf jij bij mij

Ik heb je lief  

 

Zo eindigde ik vorige week mijn toespraak. Gericht aan mijn liefste vadertje, die nu dus ergens in een andere dimensie zweeft. Zo stel ik het me, denk ik, voor: Cok met een pet op zijn hoofd zittend ergens op een bankje aan de plas. Binnen handbereik een sigaretje en een glaasje witte wijn. En dan af en toe wat mensen (en de hondjes)  naast hem op dat bankje. Zijn eigen moeder, Rem, Tineke, Willem. Allemaal van die leuke, net als hij en heel onverbiddelijk niet meer bij ons.

Want daar stonden we dan. In zo’n ruimte waar elke dag wel drie keer hetzelfde stuk wordt opgevoerd. Maar dan steeds met een andere familie. Gelukkig hebben wij Floor. Die zorgde maar mooi voor een paars-roze gloed over ons inwisselbare zaaltje. De kleuren van Cok.

Want echt weg, zul je voor mij nooit zijn.

Toen ik het schreef, voelde het waar. Maar nu zit ik toch ingeklemd tussen dat echt en weg. Tussen verdriet en melancholie.

Opeens ben ik terug in het huis met de bruine rib-bank en het beige tapijt. Jij ligt op die bank, met iets van een depressie. Ik speel met lucifer-poppetjes op de grond. Maar we doen ook boodschappen. Zeven pakjes caballero en een staatslot voor jou. En een nieuwe goudvis voor mij, elke zaterdag weer.

We vieren een zomer op het landje in Reeuwijk. Met tosti’s met draadjes-kaas en Fanta uit groene flessen. We varen over de plas in het bijna donker. Mijn zakken gevuld met de bonbons, die ik van jou mocht jatten bij het Vaantje.

Er komt een vrijdagavond eind jaren tachtig voorbij. Ik draag jouw blazer. Rood en veel te groot. Zwarte panty en kistjes eronder. Ik vraag hoe laat ik thuis moet zijn. ‘Half één,’ zegt jij. Ik vraag het nog een keer aan mama.

Ik ben terug op Texel, waar jij mij en een vriendin vertelt hoe laat we het best kunnen vertrekken. Dat we dan de boot precies om die tijd kunnen nemen. Zijn we zo laat thuis. Waarschijnlijk voor het donker. We luisteren half, maar doen het uiteindelijk precies zo.

Ik ben en denk herinneringen. Ik wil terug naar vroeger, besef ik me. Naar veertig, dertig jaar geleden en naar vorige week. Want nu snap ik het, je bent er echt niet meer.

In zoveel wat ik doe en zeg en adem

Blijf jij bij mij

Daar klopt nog niets van.

Van geen kant.

 

X Yvonne

Submit a Comment